Environment Variables worden gebruikt om configuratiewaarden los te koppelen van oplossingen (Solutions), zodat deze per omgeving kunnen verschillen zonder dat componenten of code aangepast hoeven te worden.
Environment Variables vormen een essentieel onderdeel van een goed ingericht ALM-proces en ondersteunen herbruikbare, onderhoudbare en deployment-vriendelijke oplossingen.
Configuration should be deployed, values should be managed per environment.
Deze pagina beschrijft het aanmaken en ontwerpen van Environment Variables binnen Power Platform Solutions.
Het instellen en beheren van omgevingsspecifieke waarden (DEV, TST, ACC en PRD) wordt beschreven in de aparte pagina:
π Environment Variables - Beheren & Configureren
Hiermee wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen:
- Environment Variable Definition (onderdeel van de Solution)
- Environment Variable Values (omgeving-specifieke configuratie)
Environment Variables ondersteunen:
Environment Variables bestaan uit twee onderdelen:
De definitie van een configuratie-item dat onderdeel is van een Solution.
Voorbeelden:
De daadwerkelijke waarde die per omgeving wordt ingesteld.
Voorbeelden:
| Omgeving | API Endpoint |
|---|---|
| DEV | dev_externalapi.nl |
| TST | test_externalapi.nl |
| ACC | acc_externalapi.nl |
| PRD | externalapi.nl |
Hierdoor blijft dezelfde oplossing bruikbaar in meerdere omgevingen.
Gebruik Environment Variables voor configuratie die per omgeving kan verschillen.
Environment Variables worden altijd aangemaakt binnen de:
{prefix}_configuration
solution.
Configuratie moet los staan van:
Dit maakt deployments eenvoudiger en vermindert afhankelijkheden.
Gebruik een functionele en begrijpelijke naam.
β Beschrijvend
β Functioneel
β Begrijpelijk voor beheerders
<publisher>_<name>_<type>
brenke_sharepoint_url
brenke_api_endpoint
brenke_application_name
brenke_feature_toggle
β Lowercase
β Gebruik underscores
β Consistent met Naming Conventions
β Publisher Prefix opnemen
Kies altijd het eenvoudigste datatype dat voldoet aan de behoefte.
β Gebruik JSON alleen wanneer meerdere configuraties gecombineerd moeten worden.
β Gebruik Boolean voor feature flags.
β Gebruik Text voor URLs en namen.
De Default Value maakt onderdeel uit van de Solution.
β Alleen gebruiken wanneer een standaardwaarde gewenst is.
β Geschikt voor gedeelde instellingen.
β οΈ De Default Value is niet automatisch de actieve waarde.
De Current Value is de actieve waarde binnen de omgeving.
β Beheer per omgeving afzonderlijk.
β Zorg dat DEV, TST, ACC en PRD correct zijn ingericht.
DEV -> API Dev
TST -> API Test
PRD -> API Productie
Bepaalt of een waarde wordt geΓ«xporteerd met de Solution.
No (False)
Alleen wanneer dezelfde waarde in iedere omgeving gebruikt moet worden.
Wanneer de waarde per omgeving verschilt.
Voorbeelden:
Voorkomt het overschrijven van configuratie tijdens deployments.
Environment Variables kunnen worden gebruikt binnen:
Environment Variables spelen een belangrijke rol binnen ALM.
Solution Deployment
β
Definition wordt geΓ―mporteerd
β
Current Value wordt ingesteld
β
Applicatie gebruikt configuratie
β Geen codewijzigingen per omgeving
β Veilige deployments
β Minder deploymentfouten
β Ondersteuning voor pipelines
β Maak Environment Variables altijd binnen een Solution.
β Gebruik één configuratie-item per Environment Variable.
β Gebruik duidelijke naamgeving.
β Beheer waarden per omgeving.
β Documenteer het gebruik.
π« Hardcoded waarden
π« EΓ©n variable voor meerdere doeleinden
π« Gebruik buiten Solutions
π« Onduidelijke technische namen
π« Omgevingsspecifieke waarden in code
Environment Variables zorgen voor:
π Gebruik Environment Variables voor alle configuratie die kan verschillen tussen omgevingen. Hiermee blijven oplossingen schaalbaar, beheersbaar en geschikt voor professionele ALM-processen binnen Power Platform.