Deze richtlijnen beschrijven de standaard werkwijze voor het aanmaken en beheren van Connection References binnen het Microsoft Power Platform landschap.
Binnen moderne enterprise omgevingen is de manier waarop Cloud Flows authenticeren van cruciaal belang voor zowel security als beheerbaarheid. Traditioneel wordt vaak gebruikgemaakt van user- of service accounts, maar dit brengt nadelen met zich mee zoals afhankelijkheid van gebruikers, wachtwoordbeheer en beperkte controle op rechten.
Om deze redenen maken wij, waar mogelijk, gebruik van Service Principals (app registrations) als standaard authenticatiemechanisme.
De richtlijnen ondersteunen: * consistente naamgeving * Application Lifecycle Management (ALM) * deployments via Azure DevOps pipelines * beheerbaarheid over meerdere omgevingen * verbeterde security en governance
Gebruik altijd Solutions
Connection References worden uitsluitend aangemaakt binnen een Solution.
Eén Connection Reference per functionele integratie
Een Connection Reference vertegenwoordigt een functionele koppeling.
Voorbeelden
Er wordt geen aparte Connection Reference per omgeving aangemaakt.
Dus
Voorbeelden
Er wordt geen aparte Connection Reference per omgeving aangemaakt.
Dus
<Connector> - <Customer> - <Type>
Dataverse - Brenke - Service Principal
SharePoint - Brenke - Service Account
Outlook - Brenke - Service Account
Brenke_dataverse_sp
Brenke_sharepoint_sa
Brenke_outlook_sa
Geen environment-specifieke Connection References!
Niet gebruiken: Brenke_dataverse_dev_sp Wel gebruiken: Brenke_dataverse_sp
De daadwerkelijke verbinding wordt per omgeving gekoppeld.
Voor systeemintegraties en Cloud Flows zonder user context wordt standaard gebruikgemaakt van Service Principals.
Voordelen
Service Accounts worden uitsluitend gebruikt wanneer dit technisch vereist is, bijvoorbeeld:
Voorbeelden
john.doe@organisatie.nlsvc_powerplatform@organisatie.nlIn de praktijk wordt een combinatie van Service Principals en Service Accounts gebruikt.